zaterdag 7 april 2012

Toepassingskaart 5: Afstemmen in taaksituaties

Doelen:
-          Je leert met deze afstemmingsstrategie op een zorgvuldige manier invulling te geven aan passend onderwijs.
-          Werken met de afstemmingsstrategie maakt dat; je je meer bewust wordt van verschillen in instructie- en begeleidingsbehoeften van individuele leerlingen, je instructie- en begeleidingsbehoeften leert te benoemen, uit te werken en toe te passen en je leert te werken met het protocol ‘afstemming in taaksituaties’.

Lesvoorbereiding:
·         Groep 1/2 De Vlindertuin
·         Aantal leerlingen: 28 leerlingen
·         Vakgebied: Rekenen
·         Lesduur: 20 minuten
·         Datum: 17 april 2012

Beginsituatie:
De leerlingen hebben al een aantal keer kennisgemaakt met het tellen en het rekenen met sommetjes. De rekenles gebeurt in de kring, maar dat zijn vaak heel verschillende lessen die niet echt aaneensluiten.

Doelen voor de leerlingen:
De leerlingen maken kennis met optellen, aftrekken en meer/minder. De leerlingen uit groep 1 tellen de blokjes, tellen akoestisch mee en maken een begin met het resultatief tellen. De leerlingen uit groep 2 voegen twee getallen samen (optellen) en kunnen onderdelen wegnemen (aftrekken). Beide groepen moeten meedenken over meer/minder.

Organisatie:
Inleiding – 5 minuten:          blokkenmonster, blokjes op tafel, kennismaken met het monster, kringvorm, klassikaal.
Kern – 10 minuten:              sommetjes maken met het blokkenmonster, optellen, aftrekken, tellen (heen en terug), meer/minder, kringvorm, klassikaal, individuele opdrachten.
Afsluiting – 5 minuten:         werk uitdelen aan leerlingen, blokkenmonster gedag zeggen, alle blokjes tellen, aan het werk.

Stappenschema: afstemming in taaksituaties
·         Beginsituatie leerling J.
Leerling J. beheerst het rekengebied ‘optellen en aftrekken’ nog niet zo goed. Volgens het Ontwikkelingsvolgmodel (OVM) ligt J. iets achter op de andere leerlingen uit groep 2. Bij het formele sommen maken, maakt J. veel fouten. Bij sommetjes met concrete voorbeelden lukt het J. makkelijker, omdat hij nog terug kan vallen op het tellen. J. doet wel vaak goed mee met de les, maar is snel afgeleid als het hem niet lukt.
·         Taak
J. maakt een aantal sommen tijdens de rekenkring in oplopend niveau. Na de rekenkring gaat hij aan de slag met het ontwikkelingsmateriaal rondom het optellen.
·         Uitspraken
Taak:                          Wat moet je doen? Wat is de vraag/opdracht?
Oplossingsweg:         Hoe kun je dat oplossen? Wat doe je als eerste? (hardop verwoorden van de oplossingsmanier) Wat denk je ervan om het zo te doen … ?
Doel:                           Wat moet je doen denk je? Probeer deze som eens op de juiste manier op te lossen.
Resultaat:                   Ik wil dat je deze som probeert op te lossen. Hoe denk jij over dit antwoord?
Voorkennis:               Denk eens terug aan de vorige keer, hoe heb je het toen gedaan? Weet je nog hoe je dat kunt oplossen?
Tijd:                            Hoeveel sommen denk je te kunnen maken voor de wijzer van de klok op de … staat? Hoe snel kun jij een vijf goede sommen maken?
·         Beoordelingscriteria
Oplossingsweg:         Leerling J. kan zijn denken hardop kan verwoorden.
Resultaat:                   J. maakt een aantal sommen oplopend in niveau. Het hardop denken is hierbij het belangrijkste. Ook het meedenken met andere leerlingen staat centraal. Bij het werken met ontwikkelingsmateriaal moeten er vijf sommen goed gemaakt worden.
Tijd:                            Leerling J. moet minstens vijf minuten geconcentreerd aan het werk zijn met het ontwikkelingsmateriaal en bepaalt zelf binnen hoeveel tijd hij een bepaald aantal sommen af heeft.
·         Instructie
Taak:                          Wat moet je doen en hoe ga je dat doen? Tijd afspreken en duidelijk maken wat J. moet doen om aan de verwachtingen te voldoen.
Doel:                           In de rekenkring heeft J. kennis kunnen maken met de manier van sommen oplossen. Bij het zelfstandig werken moet J. een aantal sommen juist oplossen door hardop te denken.
Voorkennis:               Tijdens de rekenkring is de voorkennis van J. als het goed is al opgehaald. J. hoort van andere leerlingen hoe zij de sommen oplossen.
Oplossingsweg:         J. vertelt hardop hoe hij de sommen oplost.
·         Afspraken beoordelingscriteria
Oplossingsweg:         J. kan het hardop denken nogmaals doen tijdens het ‘nakijkmoment’ met de docent.
Resultaat:                   Samen met de docent kijkt J. de sommen van het zelfstandig werken na. Sommen die niet goed zijn gegaan, zullen we samen opnieuw doen. Zo kan ook het hardop denken worden getest.
Tijd:                            Doordat de leerling zelf bepaalt hoeveel tijd hij nodig heeft voor de sommen, kan dit makkelijk worden gecontroleerd.

Reflectie:
De rekenkring ging erg goed. J. kwam zo af en toe aan bod en zijn voorkennis werd opgehaald. Bij het spelen en werken heeft J. een rekenwerkje gedaan. Hierop waren paddenstoelen te zien waar stippen op stonden. J. moet hierbij sommetjes maken. Zo wordt het visueel voor hem. De tijd is helaas niet helemaal goed gegaan; door de hoeveelheid aan leerlingen, is dit er helaas niet van gekomen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten