Doelen:
-
Je leert met deze afstemmingsstrategie op
een zorgvuldige manier invulling te geven aan passend onderwijs.
-
Werken met de afstemmingsstrategie maakt
dat; je je meer bewust wordt van verschillen in instructie- en
begeleidingsbehoeften van individuele leerlingen, je instructie- en
begeleidingsbehoeften leert te benoemen, uit te werken en toe te passen en je
leert te werken met het protocol ‘afstemming in taaksituaties’.
Lesvoorbereiding:
·
Groep 1/2 De Vlindertuin
·
Aantal leerlingen: 28 leerlingen
·
Vakgebied: Rekenen
·
Lesduur: 20 minuten
·
Datum: 17 april 2012
Beginsituatie:
De leerlingen hebben al een aantal keer
kennisgemaakt met het tellen en het rekenen met sommetjes. De rekenles gebeurt
in de kring, maar dat zijn vaak heel verschillende lessen die niet echt
aaneensluiten.
Doelen
voor de leerlingen:
De leerlingen maken kennis met optellen,
aftrekken en meer/minder. De leerlingen uit groep 1 tellen de blokjes, tellen
akoestisch mee en maken een begin met het resultatief tellen. De leerlingen uit
groep 2 voegen twee getallen samen (optellen) en kunnen onderdelen wegnemen
(aftrekken). Beide groepen moeten meedenken over meer/minder.
Organisatie:
Inleiding
– 5 minuten: blokkenmonster,
blokjes op tafel, kennismaken met het monster, kringvorm, klassikaal.
Kern
– 10 minuten: sommetjes maken
met het blokkenmonster, optellen, aftrekken, tellen (heen en terug), meer/minder,
kringvorm, klassikaal, individuele opdrachten.
Afsluiting
– 5 minuten: werk uitdelen aan
leerlingen, blokkenmonster gedag zeggen, alle blokjes tellen, aan het werk.
Stappenschema: afstemming in
taaksituaties
·
Beginsituatie leerling J.
Leerling J. beheerst het rekengebied ‘optellen
en aftrekken’ nog niet zo goed. Volgens het Ontwikkelingsvolgmodel (OVM) ligt
J. iets achter op de andere leerlingen uit groep 2. Bij het formele sommen
maken, maakt J. veel fouten. Bij sommetjes met concrete voorbeelden lukt het J.
makkelijker, omdat hij nog terug kan vallen op het tellen. J. doet wel vaak
goed mee met de les, maar is snel afgeleid als het hem niet lukt.
·
Taak
J. maakt een aantal sommen tijdens de rekenkring
in oplopend niveau. Na de rekenkring gaat hij aan de slag met het
ontwikkelingsmateriaal rondom het optellen.
·
Uitspraken
Taak: Wat
moet je doen? Wat is de vraag/opdracht?
Oplossingsweg:
Hoe kun je dat oplossen? Wat doe
je als eerste? (hardop verwoorden van de oplossingsmanier) Wat denk je ervan om
het zo te doen … ?
Doel:
Wat moet je doen
denk je? Probeer deze som eens op de juiste manier op te lossen.
Resultaat:
Ik wil dat je deze som
probeert op te lossen. Hoe denk jij over dit antwoord?
Voorkennis: Denk eens terug aan de vorige
keer, hoe heb je het toen gedaan? Weet je nog hoe je dat kunt oplossen?
Tijd: Hoeveel sommen denk
je te kunnen maken voor de wijzer van de klok op de … staat? Hoe snel kun jij
een vijf goede sommen maken?
·
Beoordelingscriteria
Oplossingsweg: Leerling
J. kan zijn denken hardop kan verwoorden.
Resultaat: J. maakt een aantal sommen
oplopend in niveau. Het hardop denken is hierbij het belangrijkste. Ook het
meedenken met andere leerlingen staat centraal. Bij het werken met
ontwikkelingsmateriaal moeten er vijf sommen goed gemaakt worden.
Tijd: Leerling J. moet
minstens vijf minuten geconcentreerd aan het werk zijn met het
ontwikkelingsmateriaal en bepaalt zelf binnen hoeveel tijd hij een bepaald
aantal sommen af heeft.
·
Instructie
Taak: Wat moet je doen en
hoe ga je dat doen? Tijd afspreken en duidelijk maken wat J. moet doen om aan
de verwachtingen te voldoen.
Doel: In de rekenkring heeft
J. kennis kunnen maken met de manier van sommen oplossen. Bij het zelfstandig
werken moet J. een aantal sommen juist oplossen door hardop te denken.
Voorkennis: Tijdens de rekenkring is de
voorkennis van J. als het goed is al opgehaald. J. hoort van andere leerlingen
hoe zij de sommen oplossen.
Oplossingsweg: J.
vertelt hardop hoe hij de sommen oplost.
·
Afspraken beoordelingscriteria
Oplossingsweg:
J. kan het hardop denken nogmaals
doen tijdens het ‘nakijkmoment’ met de docent.
Resultaat:
Samen met de docent
kijkt J. de sommen van het zelfstandig werken na. Sommen die niet goed zijn
gegaan, zullen we samen opnieuw doen. Zo kan ook het hardop denken worden
getest.
Tijd:
Doordat de
leerling zelf bepaalt hoeveel tijd hij nodig heeft voor de sommen, kan dit
makkelijk worden gecontroleerd.
Reflectie:
De rekenkring ging erg goed. J. kwam zo af en toe aan bod en zijn
voorkennis werd opgehaald. Bij het spelen en werken heeft J. een rekenwerkje
gedaan. Hierop waren paddenstoelen te zien waar stippen op stonden. J. moet
hierbij sommetjes maken. Zo wordt het visueel voor hem. De tijd is helaas niet
helemaal goed gegaan; door de hoeveelheid aan leerlingen, is dit er helaas niet
van gekomen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten